ECLI:NL:CRVB:2024:746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking terugwerkende kracht AOW-wijziging tot één jaar wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant vordert dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) het AOW-pensioen van zijn ouders met terugwerkende kracht van vijf jaar wijzigt naar de norm voor een ongehuwde. De Svb heeft dit geweigerd omdat de wet slechts een terugwerkende kracht van één jaar toestaat, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Zowel de rechtbank als de Raad oordelen dat geen bijzonder geval is aangetoond.
De feiten tonen dat de vader en moeder van appellant al in 2015 en 2013 een AOW-pensioen naar gehuwdennorm ontvingen. De vader werd in 2015 opgenomen in een verpleeghuis en de moeder in 2020. De Svb informeerde hen over de mogelijkheid tot aanpassing, maar de aanvraag voor wijziging werd pas in 2021 ingediend. De Svb wijzigde het pensioen met ingang van 1 maart 2020, één jaar terugwerkend.
De rechtbank oordeelde dat het lange tijd niet indienen van de aanvraag aan appellant toe te rekenen is en dat de Svb niet ambtshalve hoefde te wijzigen. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat financiële hardheid pas relevant is als een bijzonder geval is vastgesteld. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van de AOW-wijziging terecht is beperkt tot één jaar wegens het ontbreken van een bijzonder geval.