ECLI:NL:CRVB:2021:2217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering na verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als manager/topstylist, meldde zich in 2005 ziek na een verkeersongeval. Het UWV weigerde aanvankelijk een WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2018 meldde appellant toegenomen klachten, maar het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn van een andere ziekteoorzaak.
Na bezwaar en beroep stelde het UWV op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant per 12 januari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische beperkingen zijn adequaat in de functionele mogelijkhedenlijst verwerkt en de geselecteerde functies zijn passend. Er is geen aanleiding voor een urenbeperking of andere aanpassing.
De Raad bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.