ECLI:NL:CRVB:2021:2307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verhoging aanvangsleeftijd AOW en afwijzing beroep op pensioenopbouw vanaf 15-jarige leeftijd
Appellant maakte bezwaar tegen het pensioenoverzicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin de aanvangsleeftijd van zijn AOW-pensioenopbouw werd vastgesteld op 17 jaar, terwijl hij stelde dat deze op 15-jarige leeftijd had moeten beginnen. De Svb erkende een verzekerde periode tot 31 juli 1997, maar wees het bezwaar tegen de aanvangsleeftijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de wettelijke verhoging van de aanvangsleeftijd van de AOW-pensioenopbouw naar 17 jaar in 2022 rechtsgeldig is en niet leidt tot een onevenredige last of schending van het eigendomsrecht.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onrechtvaardig is dat zijn pensioenopbouw wordt verminderd terwijl de pensioengerechtigde leeftijd wordt verhoogd, mede omdat hij vanaf zijn 15e jaar premies heeft betaald. De Raad volgde dit betoog niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de AOW is gebaseerd op een omslagstelsel waarbij betaalde premies geen directe rechten op pensioenopbouw creëren. Tevens wees de Raad het beroep op leeftijdsdiscriminatie af.
Ten overvloede merkte de Raad op dat de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd per 1 januari 2020 de aanvangsleeftijd voor appellant heeft verschoven naar 16 jaar en 4 maanden, waardoor hij recht heeft op AOW vanaf juli 2021. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verhoging van de aanvangsleeftijd van de AOW wordt bevestigd.