ECLI:NL:CRVB:2021:2311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep over AOW-verzekeringspositie voor 2013
Appellant, een Turkse onderdaan die sinds 25 februari 1996 in Nederland verblijft, voerde aan dat hij vanaf maart of april 1998 als ingezetene moest worden aangemerkt en daarmee verzekerd was voor de AOW. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant geen duurzame persoonlijke band met Nederland had voor 1 juli 1998 en zijn formele dienstverband pas per 17 augustus 1998 begon.
In hoger beroep stelde appellant dat hij al eerder werkzaam was en dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het associatierecht EEG/Turkije buiten beschouwing had gelaten. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij voor 1 juli 1998 als ingezetene of als werknemer verzekerd was voor de AOW. De Koppelingswet, die per 1 juli 1998 in werking trad, sluit verzekering uit voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, wat op appellant van toepassing was tot 1 november 2013.
De Raad verwierp het beroep op het associatierecht EEG/Turkije omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor legale arbeid en verblijfsrecht vóór 1 november 2013. De rechtbank had het beroep terecht ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant voorafgaand aan 1 november 2013 niet verzekerd was voor de AOW.