ECLI:NL:CRVB:2005:AS8584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens niet rechtmatig verblijf in Nederland in derde kwartaal 1998
Appellant, met Turkse nationaliteit, verbleef sinds 1991 in Nederland en had een verblijfstitel via huwelijk, die in 1994 verviel na het beëindigen van de samenwoning. Hij werkte in loondienst en ontving ziekte- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In 1998 werd hem de kinderbijslag geweigerd vanaf het derde kwartaal omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant op de peildatum niet rechtmatig verbleef en niet viel onder uitzonderingen van de Koppelingswet. De Raad voor de Rechtspraak behandelde het hoger beroep, waarbij appellant stelde dat zijn situatie vergelijkbaar was met eerdere uitspraken over de Koppelingswet en dat internationaal recht van toepassing was.
De Raad oordeelde dat appellant op het derde kwartaal van 1998 niet rechtmatig verbleef en daarom geen aanspraak kon maken op kinderbijslag volgens nationaal recht. De Raad vond de toepassing van de Koppelingswet niet in strijd met internationale verdragen. Voor het vierde kwartaal 1998 wijzigde de Sociale verzekeringsbank haar standpunt, waarna de Raad het besluit voor dat kwartaal vernietigde.
De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten aan appellant en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen. De uitspraak bevestigt de weigering voor het derde kwartaal 1998, vernietigt het besluit voor het vierde kwartaal en regelt de kostenverdeling.
Uitkomst: Weigering kinderbijslag over derde kwartaal 1998 bevestigd, besluit over vierde kwartaal 1998 vernietigd en proceskosten toegekend.