ECLI:NL:CRVB:2021:2317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengelduitkering na eerstejaars Ziektewetbeoordeling bevestigd
Appellante ontving sinds mei 2015 een WW-uitkering en meldde zich in maart 2017 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het ziekengeld werd beëindigd.
Na bezwaar stelde een verzekeringsarts aanvullende beperkingen vast en werd een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige handhaafde grotendeels de geselecteerde functies en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 15,47%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische rapporten en FML de belastbaarheid van appellante voldoende inzichtelijk maakten en dat er geen aanleiding was voor een medische urenbeperking.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat meer beperkingen en een urenbeperking noodzakelijk zijn, onderbouwd met medische rapporten en een diagnose ASS. Het UWV stelde zich op het standpunt dat de eerdere beoordeling juist was, ondersteund door rapporten van twee verzekeringsartsen.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat de FML correct is en dat de medische stukken geen aanleiding geven tot meer beperkingen of een urenbeperking. De arbeidsdeskundige motiveerde voldoende dat de functies geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.