ECLI:NL:CRVB:2021:2356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
22 september 2021
Zaaknummer
20/3169 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen intrekking bijstand wegens niet ophalen post niet-ontvankelijk verklaard

Appellant, die bijstand ontving op grond van de Participatiewet als dak- en thuisloze, kreeg een briefadres toegekend met de voorwaarde zijn post minimaal eenmaal per week op te halen. Nadat appellant sinds 17 december 2018 zijn post niet meer ophaalde, trok het college bij besluit van 28 maart 2019 de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de reeds verleende bijstand terug. Dit besluit werd verzonden naar het briefadres.

Appellant maakte op 4 september 2019 bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college het briefadres had stopgezet zonder hem te informeren, waardoor hij het besluit niet tijdig kon ontvangen en bezwaar maken. Tevens stelde hij dat zijn zwervend bestaan en psychische aandoeningen een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden.

De Raad oordeelde dat het college het besluit op juiste wijze bekend heeft gemaakt door verzending naar het laatst bekende adres in de basisregistratie personen. Het was de verantwoordelijkheid van appellant om een nieuw adres door te geven. De omstandigheden van appellant, waaronder zijn zwervend bestaan en psychische beperkingen, vormden geen grond voor verschoonbare termijnoverschrijding omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet tijdig bezwaar kon maken.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens juiste bekendmaking en geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

20.3169 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2020, 19/5105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 14 september 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.R.S. Ramhit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad op 3 augustus 2021 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een dak- en thuisloze. Het college heeft aan appellant op zijn verzoek met ingang van 13 november 2018 een briefadres aan de [adres] (briefadres) toegekend. Een van de aan de toekenning van dit briefadres verbonden voorwaarden was dat appellant minimaal één keer per week zijn post moest ophalen en hij zich daarbij moest legitimeren. Omdat appellant sinds 17 december 2018 zijn post niet meer heeft opgehaald, heeft het college bij besluit van 28 maart 2019 de bijstand van appellant met ingang van 17 december 2018 ingetrokken en de over de periode van 17 december 2018 tot en met 31 januari 2019 verleende bijstand tot een bedrag van € 1.227,74 van appellant teruggevorderd. Het college heeft het besluit van 28 maart 2019 verzonden aan het briefadres.
1.2.
Op 4 september 2019 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 maart 2019. Bij besluit van 8 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar nietontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar te laat is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om zijn post af te halen dan wel maatregelen te treffen ter behartiging van zijn belangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4.1.2.
In artikel 6:11 van Pro de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bedoelde termijn is aangevangen op 29 maart 2019. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het bezwaar van appellant ruim buiten de in artikel 6:7 van Pro de Awb genoemde termijn van zes weken is ingediend.
4.3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college het briefadres op een gegeven moment heeft stopgezet, maar omdat het college hem daar niet over heeft geïnformeerd is hem niet duidelijk wanneer dit is gebeurd. Het college is echter ook na stopzetting van het briefadres brieven naar dit adres blijven versturen. Dit geldt ook voor het bestreden besluit. Om die reden heeft appellant niet tijdig over dit besluit kunnen beschikken en heeft hij te laat bezwaar gemaakt.
4.3.2.
De Raad begrijpt deze beroepsgrond zo dat appellant meent dat het college het besluit van 28 maart 2019 niet op juiste wijze bekend heeft gemaakt. Vaststaat dat appellant ten tijde van het verzenden van het besluit van 28 maart 2019 in de basisregistratie personen nog ingeschreven stond op het briefadres. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:195) heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Awb voldaan als het besluit op bezwaar wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook als dit niet meer het juiste adres van betrokkene is en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan, van in dit geval het gewijzigde adres, op de hoogte te stellen. Dit betekent dat het college het besluit van 28 maart 2019 dan ook op juiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is verder de verantwoordelijkheid van appellant om, als hij niet meer op het briefadres bereikbaar was, uit zichzelf een nieuw (post)adres aan het college door te geven. Dat heeft hij niet gedaan.
4.4.1.
Appellant heeft verder aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft erop gewezen dat hij een zwervend bestaan leidt, hij lijdt aan psychische aandoeningen en hij een beperkt verstandelijk vermogen heeft. Om die reden kan hem niet verweten worden dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt.
4.4.2.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De enkele omstandigheid dat appellant een zwervend bestaan leidt vormt geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat appellant door dat zwervend bestaan niet op de hoogte kon zijn van besluitvorming met betrekking tot zijn bijstandsuitkering, kan hij niet volhouden. Immers, al vanaf 1 februari 2019 kreeg hij geen bijstand meer betaald en dat kan hem niet ontgaan zijn. Appellant heeft verder niet met stukken onderbouwd dat hij als gevolg van psychische aandoeningen en een beperkt verstandelijk vermogen niet in staat was om tijdig, al dan niet met hulp van een derde, bezwaar te maken tegen het besluit van 28 maart 2019.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2021.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) W.E.M. Maas