ECLI:NL:CRVB:2021:2362

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
21/2083 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking AIO-aanvulling wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf zorgverleners

Verzoekster ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naast haar AOW-pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok deze AIO-aanvulling in vanaf 1 december 2019 op grond van de kostendelersnorm, omdat de zoon en schoondochter van verzoekster sinds november 2019 op haar adres stonden ingeschreven en zorg verleenden.

De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep stelde verzoekster dat haar zoon en schoondochter niet bij haar woonden, maar slechts tijdelijk logeerden tijdens zorgverlening. De Raad oordeelde dat de inschrijving in de basisregistratie personen (Brp) geen doorslaggevende betekenis heeft, zeker omdat deze ambtshalve was en de Svb geen navraag had gedaan bij de gemeente.

Ook het inlichtingenformulier en de omvang van de zorguren boden onvoldoende grondslag om het hoofdverblijf van de zoon en schoondochter bij verzoekster aan te nemen. Er was geen informatie over de frequentie en duur van het verblijf. De Raad concludeerde dat het bestuursorgaan onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kostendelersnorm van toepassing was en vernietigde het besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de Svb werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de AIO-aanvulling wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf van zorgverleners.

Uitspraak

21/2083 PW, 21/2112 PW-VV
Datum uitspraak: 21 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2020, 20/6505 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb van 14 juni 2021
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. B. Özateş, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft desgevraagd nadere stukken in gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2021. Namens verzoekster is mr. Özate verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin, die door middel van een audioverbinding heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verzoekster ontving, in aanvulling op haar onvolledige AOW-pensioen, bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In de basisregistratie personen (Brp) staan op het adres van verzoekster sinds 4 november 2019 ook de zoon van verzoekster (zoon) en de schoondochter van verzoekster (schoondochter) ingeschreven. Op het inlichtingenformulier “onderzoek woonsituatie” van 15 februari 2020 (inlichtingenformulier) heeft verzoekster hierover verklaard dat haar zoon en schoondochter haar zorgverleners zijn en dat zij bij haar logeren tijdens het verlenen van zorg. In het kader van het aan verzoekster toegekende persoonsgebonden budget (pgb) heeft in 2019 de zoon op jaarbasis 371 zorguren en de schoondochter 1872 zorguren gedeclareerd.
1.3.
De Svb heeft in de onder 1.2 vermelde gegevens aanleiding gezien om bij afzonderlijke besluiten van 17 maart 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2020 (bestreden besluit), het recht op AIO-aanvulling vanaf 1 december 2019 in te trekken en de kosten van AIO-aanvulling over de periode van december 2019 tot en met februari 2020 tot een bedrag van € 361,95 van verzoekster terug te vorderen. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW vanaf 1 december 2019 op de AIO-aanvulling van verzoekster de kostendelersnorm van toepassing is. Omdat de inkomsten van verzoekster vanaf december 2019 hoger zijn dan het als gevolg van de kostendelersnorm gewijzigde AIO-normbedrag heeft verzoekster vanaf deze datum geen recht meer op een AIO-aanvulling.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat op haar AIO-aanvulling niet de kostendelersnorm van toepassing was omdat haar zoon en schoondochter niet bij haar woonden. Ook heeft zij verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat haar weer een AIO-aanvulling wordt toegekend.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
Verzoekster heeft een spoedeisend belang bij haar verzoek. In dit geval doet de onder 4.2 bedoelde situatie zich voor en ook is overigens geen sprake van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Beoordeling van de hoofdzaak
4.4.
Het bestreden besluit moet worden beoordeeld voor zover het gaat over de periode van 1 december 2019 (de datum met ingang waarvan de AIO-aanvulling is ingetrokken) tot en met 17 maart 2020 (de datum van het intrekkingsbesluit).
4.5.
Het besluit tot intrekking van een AIO-aanvulling is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het betrokken bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust.
4.6.
De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op de stelling dat de zoon en schoondochter in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het adres van verzoekster. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn of haar persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.7.
De Svb heeft zijn stelling gebaseerd op de gegevens uit de Brp, het inlichtingenformulier en de omvang van de zorg die de zoon en schoondochter aan verzoekster verlenen. Zoals ter zitting door de gemachtigde van de Svb is bevestigd, stelt de Svb zich op het standpunt dat nadere informatie over de feiten en omstandigheden, onder meer te verkrijgen door een huisbezoek, niet nodig was om het besluit nader te onderbouwen.
4.8.
Verzoekster heeft aangevoerd dat die gegevens onvoldoende grondslag bieden voor de stelling van de Svb. Deze beroepsgrond slaagt.
4.8.1.
Bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn of haar hoofdverblijf heeft, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de Brp. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432). Dit klemt hier te meer, nu de zoon en schoondochter door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam (college) niet op hun verzoek, maar ambtshalve zijn ingeschreven op het adres van verzoekster en zij tegen die inschrijving rechtsmiddelen hebben aangewend. De Svb heeft geen navraag bij het college gedaan over de feiten en omstandigheden die aan de ambtshalve inschrijvingen ten grondslag liggen. Van een reden om in dit geval wel de inschrijving in de Brp leidend te achten is dan ook niet gebleken.
4.8.2.
Ook uit het inlichtingenformulier kan niet zonder meer worden afgeleid dat de zoon en schoondochter bij verzoekster hun hoofdverblijf hadden. Op het inlichtingenformulier heeft verzoekster bij de vraag naar haar woonsituatie juist niet geantwoord dat haar zoon en schoondochter bij haar wonen, maar dat zij bij haar logeren tijdens het verlenen van zorg. Niet valt in te zien hoe aan deze verklaring de conclusie kan worden verbonden dat de zoon en schoondochter in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf op het adres van verzoekster hadden. De Svb heeft nagelaten bij verzoekster navraag te doen over de frequentie van dat logeren, zodat daarover geen informatie beschikbaar is.
4.8.3.
Niet in geschil is dat, in het kader van het aan verzoekster toegekende pgb, de zoon in 2019 in totaal 371 uur aan verleende zorg en de schoondochter 1872 uur aan verleende zorg heeft gedeclareerd. Dat is omgerekend gemiddeld 7 uur en 8 minuten per week respectievelijk 36 uur per week aan verleende zorg. Hieruit kan niet, anders dan de Svb betoogt, worden afgeleid dat zowel de zoon als de schoondochter in de te beoordelen periode het merendeel van de tijd bij verzoekster verbleef en ook niet dat dit voor één van beiden geldt. Anders dan de Svb betoogt, is de afstand tussen de woning waar de zoon en schoondochter stellen te wonen en de woning van verzoekster – ruim twintig minuten rijden met de auto, zoals de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft gesteld – niet zo groot dat regelmatig op-en-neer rijden feitelijk onmogelijk of niet te vergen is.
4.9.
Uit 4.8 volgt dat de gegevens die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen op zichzelf geen toereikende grondslag bieden voor de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling. Ook wanneer die gegevens in onderlinge samenhang worden bezien bieden zij daarvoor niet een toereikende onderbouwing. Over de frequentie en de duur van de aanwezigheid van de zoon en schoondochter in de woning van verzoekster zijn geen gegevens voorhanden en ook niet over de feitelijke situatie in die woning. Daardoor kan niet worden vastgesteld waar zich in de te beoordelen periode het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de zoon en schoondochter bevond.
4.10.
Wat in 4.9 is overwogen betekent dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling over de te beoordelen periode een grond aanwezig was. Het bestreden besluit is dus niet zorgvuldig voorbereid en mist een draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb vernietigen. Omdat aan het besluit van 17 maart 2020 hetzelfde gebrek kleeft en het, gelet op wat ter zitting is besproken over de mogelijkheid van het afleggen van een huisbezoek, niet aannemelijk is dat de Svb dit gebrek kan herstellen, zal de Raad het besluit van 17 maart 2020 herroepen.
Voorlopige voorziening
5. Gelet op wat in 4.9 is overwogen bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen noodzaak. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
6. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in bezwaar, € 1.496,- in beroep en € 1.496,- in hoger beroep, in totaal € 4.060,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2020 gegrond en vernietigt dat besluit;
- herroept het besluit van 17 maart 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 16 oktober 2020;
- veroordeelt de Svb in de kosten van verzoekster tot een bedrag van € 4.060,-;
- bepaalt dat de Svb aan verzoekster het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 183,- vergoedt;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2021.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) B. van Dijk