ECLI:NL:CRVB:2021:2380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over mate van arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na scooterongeval
Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker, schoonmaker en koerier, viel uit door klachten na een scooterongeval in mei 2013. Het UWV kende hem vanaf 19 september 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling in 2016 stelde een arts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarop een arbeidsdeskundige een arbeidsongeschiktheid van 47,97% berekende. Het UWV handhaafde dit percentage, maar verklaarde later het bezwaar van appellant gegrond en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 64,28%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de door appellant ingediende expertiserapporten onvoldoende aanleiding gaven voor een ander oordeel. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De Raad oordeelt dat het UWV geen verkeerde maatstaf heeft gehanteerd en dat de door appellant aangevoerde verbanden tussen verschillende beoordelingsitems niet bewezen zijn.
Ook het door appellant ingediende expertise-rapport van 15 april 2021 wordt niet gevolgd, omdat dit rapport ver na de relevante datum is opgesteld en een anti-revalidatie-effect zou kunnen hebben. De berekening van het maatmanloon is eveneens voldoende onderbouwd. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat de arbeidsongeschiktheid op 47,97% is vastgesteld.