ECLI:NL:CRVB:2021:2383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 10 februari 2018 meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij medische beperkingen en de geschiktheid van geselecteerde functies centraal stonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct waren vastgesteld. Ook de arbeidsdeskundige had gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen, dat er geen overleg met de behandelend sector had plaatsgevonden en dat zijn gezondheidstoestand na 10 februari 2018 was verslechterd. De Raad concludeerde dat appellant geen medische informatie had overgelegd waaruit bleek dat de verslechtering al op de datum in geding speelde. De verslechtering na die datum kon daarom niet worden betrokken bij de beoordeling.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de functies en wees het verzoek om benoeming van een deskundige af. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de Ziektewet-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de Ziektewet-uitkering bevestigd.