ECLI:NL:CRVB:2021:2391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening bij WW-uitkering tijdens detentie
Appellante, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Zwolle, diende op 18 december 2018 een aanvraag voor een WW-uitkering in waarbij zij haar woonadres als correspondentieadres opgaf. Het UWV stuurde besluiten naar dit adres, waaronder het besluit van 30 januari 2019 tot intrekking van de uitkering en terugvordering van teveel ontvangen bedragen.
Appellante maakte pas op 10 juli 2019 bezwaar tegen dit besluit en gaf aan dat zij het besluit pas op 29 mei 2019 had ontvangen omdat zij verbleef in detentie en het besluit naar haar woonadres was gestuurd. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV het besluit correct had bekendgemaakt door het naar het opgegeven woonadres te sturen. Appellante had nagelaten een correspondentieadres of het detentieadres door te geven, wat voor haar risico kwam. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat het de verantwoordelijkheid van appellante is om het juiste adres op te geven en passende maatregelen te treffen voor postverzorging tijdens detentie.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd wegens te late indiening door nalaten juiste correspondentieadres door te geven.