ECLI:NL:CRVB:2021:2401

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2021
Publicatiedatum
29 september 2021
Zaaknummer
19/2766 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWArt. 27a WWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht

Appellant ontving een WW-uitkering en werkte in de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 als schoonmaker zonder dit aan het UWV te melden. Het UWV herzag de uitkering per 29 augustus 2016 en vorderde het te veel betaalde bedrag van €3.585,03 terug. Tevens legde het UWV een boete van 50% van het benadelingsbedrag op wegens schending van de inlichtingenplicht.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het niet melden van werkzaamheden een schending van artikel 25 van Pro de WW oplevert, ongeacht of appellant loon ontving. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet betaald was en dat het UWV onterecht uitging van het cao-loon, maar deze argumenten werden verworpen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de werkzaamheden als arbeid in het economisch verkeer gelden en dat het niet ontvangen van loon niet relevant is voor de herziening en terugvordering. Het UWV had terecht een urenkorting toegepast en de boete van 50% was passend gezien de ernst en verwijtbaarheid. Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de behandelingstermijn binnen vier jaar bleef.

De uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

19.2766 WW

Datum uitspraak: 23 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 mei 2019, 18/6633 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 15 juli 2021. Namens appellant is mr. Velthorst verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
F. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het Uwv heeft appellant met ingang van 4 februari 2013 in aanmerking gebracht voor een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een verlies van 34,70 arbeidsuren per week. Bij besluit van 10 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant na 6 september 2016 nog recht houdt op een WW-uitkering, gebaseerd op een verlies van 33 arbeidsuren per week.
1.2.
Naar aanleiding van de uitkomsten van een door Inspectie SZW (ISZW) verricht
onderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar mogelijke werkzaamheden van appellant. De bevindingen van het onderzoek door het Uwv zijn neergelegd in een ‘Onderzoeksrapport Uwv Themaonderzoek IOWA’ (onderzoeksrapport) van 17 april 2018. In dit rapport is melding gemaakt van een inbeslaggenomen laptop waarin de administratie is aangetroffen van verschillende schoonmaakbedrijven. Er zijn diverse urenregistraties van schoonmakers en diverse ID bewijzen aangetroffen, waaronder van appellant. Volgens deze urenlijsten heeft appellant gewerkt bij [werkgever] in [vestigingsplaats] in de periode van
1 september 2016 tot en met 31 december 2016.
1.3.
Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het Uwv de WW-uitkering vanaf 29 augustus 2016
herzien en het te veel betaalde over de periode van 29 augustus 2016 tot en met 1 januari 2017 tot een bedrag van € 3.585,03 van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat hij in de periode 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 heeft gewerkt.
1.4.
Bij afzonderlijk besluit van 22 mei 2016 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd
van € 1.792,52 wegens schending van de inlichtingenplicht.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 28 september 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het
bezwaar tegen beide besluiten van 22 mei 2018 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat appellant over de gewerkte uren geen recht had op een WW-uitkering, los van het feit of hij voor deze uren al dan niet is uitbetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uvw terecht de WW-uitkering heeft herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat appellant werkzaamheden heeft verricht en dat hij dit niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Hiermee heeft appellant artikel 25 van Pro de WW overtreden. De omstandigheid dat hij voor die werkzaamheden (nog) geen loon heeft ontvangen, staat niet in de weg aan toepassing van artikel 25 van Pro de WW. De hoogte van de onverschuldigde betaalde WW-uitkering is door appellant niet betwist. Van dringende redenen om af te zien van de terugvordering is geen sprake. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde boete evenredig en passend is.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de omstandigheid dat hij voor zijn werkzaamheden niet is betaald, in de weg staat aan herziening en terugvordering van de
WW-uitkering. Ter zitting heeft appellant de beroepsgrond dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden niet langer gehandhaafd. Appellant heeft verder gesteld dat het Uwv bij de herziening van de uitkering niet had moeten uitgaan van de cao van de schoonmaak- en glazenwassersbedrijven, maar van het minimumloon. Met betrekking de tot hoogte van de opgelegde boete heeft appellant herhaald dat hij geen loon heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden, zodat het benadelingsbedrag en daarmee het boetebedrag te hoog is vastgesteld. Verder heeft appellant gesteld dat het tijdsverloop had moeten leiden tot matiging van de boete, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair heeft appellant verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4.1 tot en met 4.3 en 10 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat appellant in de periode 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 werkzaamheden heeft verricht als schoonmaker bij een hotel en dat hij, door dit niet te melden aan het Uwv, de inlichtingenplicht heeft geschonden.
4.3.
Het Uwv heeft terecht de WW‑uitkering van appellant herzien per 29 augustus 2016 en terecht de over de periode van 29 augustus 2016 tot en met 31 december 2016 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Het door appellant in hoger beroep herhaalde standpunt dat hij voor zijn werkzaamheden niet daadwerkelijk is betaald, treft geen doel. De werkzaamheden van appellant zijn aan te merken als arbeid in het economisch verkeer waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd dan wel redelijkerwijs kan worden verwacht. Het al dan niet daadwerkelijk ontvangen van een vergoeding, wat daarvan ook verder zij, is hierbij niet van belang. Zie de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1678).
4.4.
.Niet is gebleken dat het Uwv het terugvorderingsbedrag van € 3.585,03 te hoog heeft vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv een urenkorting toegepast en op die grond geconcludeerd dat appellant over de gewerkte uren geen recht heeft op een WW-uitkering. Appellant is vóór 1 juli 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en het Uwv heeft terecht de gewerkte uren op de WW-uitkering gekort. Daarbij heeft het Uwv zich gebaseerd op de omvang van de werkzaamheden, zoals blijkt uit de urenlijsten uit het handhavingsonderzoek. De omvang van de gewerkte uren is door appellant niet betwist. Het betoog van appellant dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van het cao-loon, treft geen doel omdat er geen inkomstenverrekening heeft plaatsgevonden maar een urenkorting. Van een dringende reden op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de terugvordering is niet gebleken.
4.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het Uwv ook aangetoond dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellant kan ter zake van de schending van de inlichtingenplicht een verwijt worden gemaakt. Hij is er immers uitdrukkelijk op gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie moest doorgeven aan het Uwv. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het Uwv bevoegd en gehouden was appellant een boete op te leggen op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW.
4.6.
Het Uwv heeft de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Daarbij is het Uwv terecht uitgegaan van een situatie van normale verwijtbaarheid. Dat appellant, naar hij stelt, voor de gewerkte uren geen loon heeft ontvangen, is geen omstandigheid die maakt dat de schending van de inlichtingenplicht hem slechts in verminderde mate kan worden verweten. In aanmerking nemend de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, is een boete van 50% van het benadelingsbedrag in dit geval evenredig. Dit komt overeen met een bedrag van
€ 1.792,52, welk bedrag door appellant inmiddels volledig is betaald. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zoals hierna onder 4.7 wordt overwogen, zodat hierin evenmin aanleiding is gelegen voor matiging van het boetebedrag.
4.7.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt afgewezen. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 30 mei 2018 tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaren verstreken. Gelet op deze totale behandelingsduur is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
4.8.
De overwegingen 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en S. Wijna en L.A. Kjellevold
als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2021.
(getekend) M. Schoneveld
De griffier is verhinderd te ondertekenen