Uitspraak
19 56 PW
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand van het college op grond van de WWB en de Participatiewet, terwijl hij in de betreffende periode als zelfstandige werd aangemerkt volgens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Hierdoor had hij geen recht op bijstand op grond van de WWB of PW. Appellant heeft nagelaten tijdig te melden dat hij in 2010 en 2011 een inkomen van minstens €64.887,40 uit zorgwerkzaamheden voor zijn moeder ontving, hetgeen een schending van zijn inlichtingenverplichting vormt.
Het college heeft daarom de bijstand ingetrokken en teruggevorderd. Appellant voerde aan dat hij tijdens een interview in 2012 informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden en dat het college had moeten handelen volgens de zesmaandenjurisprudentie, maar deze verweren werden verworpen. Ook het beroep op mede schuld van het college faalde omdat appellant niet volledig had geïnformeerd.
De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht zijn, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De verplichting tot terugvordering geldt ook bij schending van de inlichtingenverplichting, ongeacht de zesmaandenjurisprudentie.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellant wegens het niet melden van zelfstandige inkomsten worden bevestigd.