ECLI:NL:CRVB:2021:2441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verrichtte gedurende de beoordelingsperiode gokactiviteiten in casino’s waaruit hij inkomsten verwierf. Uit onderzoek van de gemeente Rotterdam bleek dat appellant niet heeft voldaan aan zijn meldingsplicht omtrent deze inkomsten, ondanks dat hij zijn gokverslaving had gemeld.
Het college trok het recht op bijstand over diverse perioden in en vorderde de kosten van bijstand terug. Appellant voerde aan dat hij wel melding had gemaakt van zijn verslaving en dat niet alle pintransacties in gokinstellingen daadwerkelijk tot gokken leidden. Tevens stelde hij dat dringende redenen bestonden om terugvordering te voorkomen.
De Raad oordeelde dat melding van de verslaving niet vervangt dat hij iedere gokactiviteit en de inkomsten daarvan afzonderlijk moet melden. De stelling dat niet alle transacties gokactiviteiten betroffen, werd niet onderbouwd en verworpen. Ook werden de aangevoerde dringende redenen niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.