ECLI:NL:CRVB:2021:2458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en WIA-dagloon
Appellant was werkzaam als therapeutisch pleegzorgbegeleider en meldde zich ziek na een ongeval met diverse klachten. Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ontving hij een WW-uitkering en later een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het Uwv stelde dat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was en stelde het dagloon vast zonder de ontslagvergoeding mee te rekenen.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, mede vanwege de verwachting van herstel bij adequate behandeling. Tevens werd het dagloon vastgesteld op €186,06, waarbij de ontslagvergoeding niet als loon werd meegenomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij recht had op een IVA-uitkering en dat het dagloon onjuist was berekend. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwierp de bezwaren. De Raad bevestigde dat de ontslagvergoeding niet als loon geldt voor de dagloonberekening en dat het Uwv terecht slechts vijf maanden WW-uitkering heeft betrokken.
De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is in de zin van de Wet WIA en dat het dagloon correct is vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.