ECLI:NL:CRVB:2021:2481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als operator en meldde zich ziek met psychische klachten. Na een initiële toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering werd deze later herbeoordeeld en vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 47,58%. Appellant maakte bezwaar met medische onderbouwing, waaronder een brief van zijn psycholoog en een arbeidsdeskundig rapport, waarin hij stelde volledig arbeidsongeschikt te zijn door chronische toxische encephalopathie (CTE).
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege PTSS en cognitieve stoornissen niet in staat was de voorgelegde functies te vervullen en verzocht hij om een nieuw onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat appellant de functies kon vervullen binnen de gestelde randvoorwaarden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere beslissing van het UWV bevestigd.