ECLI:NL:CRVB:2021:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na arbeidsongeschiktheid, maar het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellante voldoende had meegewogen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat, met name vanwege neurologische en neuropsychologische klachten. Zij stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar preventieve aanpassingen in het dagelijks leven en dat aanvullend onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat er geen aanwijzingen waren voor het ontbreken van relevante informatie. De verzekeringsarts had overtuigend gemotiveerd waarom de beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst toereikend waren en dat er geen medische grond was voor een verdere beperking of urenbeperking.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige en geen schending van het beginsel van equality of arms. De proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering na een zorgvuldig medisch onderzoek.