ECLI:NL:CRVB:2021:2513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten van derden
Appellant ontvangt sinds oktober 2017 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding dat appellant regelmatig bedragen van derden, met name zijn moeder, op zijn bankrekening ontvangt, heeft het college een onderzoek ingesteld. Uit bankafschriften bleek dat gedurende de periode 1 december 2017 tot en met 31 juli 2018 regelmatig bedragen variërend van €5,50 tot €1.000,- werden gestort. Appellant heeft deze inkomsten niet gemeld.
Het college heeft daarop de bijstand herzien en een bedrag van €4.153,58 teruggevorderd, omdat de bijschrijvingen als inkomsten moeten worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college ten onrechte de bedragen als inkomsten aanmerkte, onder meer omdat het om giften zou gaan en er geen voorlichting was gegeven over beleidswijzigingen.
De Raad oordeelt dat de bedragen in beginsel als middelen in de zin van de Participatiewet gelden en dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van een beleidswijziging. Ook de stelling dat het om giften gaat die niet tot de middelen behoren, wordt verworpen. Het college heeft zich redelijk op het standpunt kunnen stellen dat het niet in aanmerking nemen van de bedragen niet verantwoord is. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.