ECLI:NL:CRVB:2021:2523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij toekenning bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering. Het college kende slechts een deel van de gevraagde bijstand toe, omdat zij de draagkracht van appellante berekenden inclusief het normbedrag van de studiefinanciering, waar ook een rentedragende lening onderdeel van is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rentedragende lening niet als voorliggende voorziening meegenomen mocht worden, omdat zij deze lening niet had afgesloten en dit haar financieel benadeelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rentedragende lening wel degelijk als voorliggende voorziening geldt volgens vaste rechtspraak en artikel 15 van Pro de Participatiewet. Het niet afsluiten van de lening kan niet worden afgewenteld op de bijstand. Ook het beroep op beleidsregels en maatschappelijke gevolgen van het leenstelsel slaagt niet.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat de rentedragende lening als voorliggende voorziening moet worden meegenomen bij de draagkrachtberekening.