Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en woonde sinds 2011 in Frankrijk. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok de uitkering per 1 januari 2016 in, stellende dat appellante vanaf december 2015 een gezamenlijke huishouding met X voerde. Dit besluit was gebaseerd op een verklaring van appellante tijdens een huisbezoek in november 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat voor de eerste periode (1 januari 2016 tot 26 mei 2016) onvoldoende feitelijke grondslag bestond om van een gezamenlijke huishouding te spreken. De verklaring van appellante tijdens het huisbezoek was niet toereikend en de Svb had niet adequaat doorgevraagd.
Verder werd geoordeeld dat het huisbezoek en de verklaring niet onrechtmatig waren verkregen, omdat appellante vooraf was geïnformeerd en toestemming had gegeven ('informed consent'). Voor de tweede periode (vanaf 27 mei 2016) was wel sprake van een gezamenlijke huishouding, waardoor de intrekking vanaf die datum gerechtvaardigd was.
Het bestreden besluit was niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd voor periode 1, waardoor het besluit werd vernietigd. Ook het eerdere besluit van 11 december 2018 werd herroepen. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.