Uitspraak
19 1672 WW
5 maart 2019, 18/3055 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
mr. Van Oel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
OVERWEGINGEN
b) uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als kok bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die per 1 september 2017 eindigde. Na een minnelijke regeling waarbij appellant een ontslagvergoeding van drie bruto maandsalarissen ontving, vroeg hij een WW-uitkering aan per 1 september 2017. Het Uwv weigerde de uitkering omdat appellant niet in ten minste 26 weken binnen 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid had gewerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het bedrag van de minnelijke regeling als ontslagvergoeding en niet als loon moest worden aangemerkt, mede omdat appellant op basis van een 0-urencontract alleen recht had op loon voor daadwerkelijk gewerkte uren. Appellant stelde in hoger beroep dat het bedrag als loon moest worden beschouwd op grond van het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW, maar de Raad oordeelde dat dit rechtsvermoeden niet van toepassing is op de vraag of aan de WW-weken-eis was voldaan.
De Raad bevestigde dat het Uwv terecht uitging van de polisadministratie waarin het bedrag niet als sv-loon was opgenomen. Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldeed, werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende gewerkte weken voorafgaand aan de werkloosheid.