ECLI:NL:CRVB:2021:2541
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende lichamelijk onderzoek en motiveringsgebrek
Appellant heeft zich op 18 mei 2017 ziek gemeld en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na diverse medische onderzoeken en een arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV bij besluit van 26 juni 2018 vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd bij bezwaar van appellant op 1 februari 2019 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat hij nooit volledig lichamelijk was onderzocht, met name zijn polsklachten niet. Tijdens de zitting op 2 juni 2021 werd afgesproken dat het UWV een lichamelijk onderzoek zou laten verrichten, maar uit een rapport van 16 juni 2021 bleek dat dit niet was gebeurd. De verzekeringsarts had afgezien van het lichamelijk onderzoek, wat in strijd was met de gemaakte afspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een motiveringsgebrek had en het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen zes weken een nieuw lichamelijk onderzoek te verrichten, met bijzondere aandacht voor de handen, en zo nodig een arbeidsdeskundig rapport te laten opstellen. Vervolgens moet het UWV een nieuwe beslissing nemen, waartegen alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende lichamelijk onderzoek en motiveringsgebrek, en het UWV moet een nieuw onderzoek en beslissing nemen.