ECLI:NL:CRVB:2021:2545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig medewerker schoonmaak/onderhoud zwembad, viel uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat onvoldoende lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en dat zijn beperkingen niet volledig waren erkend, mede door taalproblemen. Hij stelde dat hij alleen beschut werk kon verrichten en dat het opleidingsniveau onjuist was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, inclusief dossieronderzoek, lichamelijk en psychisch onderzoek en hoorzitting waarbij ook een begeleider aanwezig was. Er waren geen onoverkomelijke taalproblemen. De Raad onderschreef het standpunt van de verzekeringsarts dat appellant benutbare mogelijkheden heeft en niet is aangewezen op beschut werk.
De Raad bevestigde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) passend zijn weergegeven en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn. Ook het opleidingsniveau is juist vastgesteld conform vaste rechtspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.