ECLI:NL:CRVB:2021:2577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
21 oktober 2021
Zaaknummer
20/1475 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 BWArt. 7:629 BWArt. 29 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op loondoorbetaling bij ziekte ondanks uitsluiting in arbeidsovereenkomst

Appellant trad op 4 juli 2018 in dienst als oproepkracht met een arbeidsovereenkomst tot 4 januari 2019, waarin onder punt 7.5 de loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte voor het eerste halfjaar werd uitgesloten. Op 23 augustus 2018 meldde appellant zich ziek, waarna de ex-werkgever geen loon meer betaalde. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen omdat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte op grond van artikel 7:629 BW Pro bij de werkgever lag.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkgever verplicht was loon door te betalen conform artikel 7:629 BW Pro, waardoor appellant geen recht had op Ziektewetuitkering. Appellant stelde in hoger beroep dat de uitsluiting in de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was en dat het UWV ten onrechte de Ziektewetuitkering had geweigerd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 7:629 BW Pro een dwingendrechtelijke regeling bevat die niet ten nadele van de werknemer kan worden beperkt, behalve voor twee wachtdagen. De uitsluiting van loondoorbetaling in de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:628 BW Pro is niet van toepassing op artikel 7:629 BW Pro. Daarom heeft appellant recht op doorbetaling van 70% van zijn loon gedurende maximaal 104 weken bij ziekte. Het UWV heeft terecht geen Ziektewetuitkering toegekend. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft recht op loondoorbetaling en geen recht op Ziektewetuitkering.

Uitspraak

20 1475 ZW

Datum uitspraak: 13 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
5 maart 2020, 19/3372 ZW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Bingöl, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 september 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 4 juli 2018 als oproepkracht in dienst getreden bij [ex-werkgever] (ex-werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd, namelijk tot 4 januari 2019.
Onder punt 7.5 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende vermeld:
“Uitsluiting doorbetaling loon
Werkgever en werknemer verklaren akkoord te zijn met het uitsluiten van de verplichting tot doorbetaling van het loon, zoals mogelijk op basis van artikel 628 van Pro boek 7 Burgerlijk Wetboek. Werknemer heeft gedurende het eerste half jaar van de overeenkomst geen recht op loon, indien en voor zover hij om welke reden dan ook de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.”
1.2.
Appellant heeft zich per 23 augustus 2018 ziekgemeld. De ex-werkgever heeft appellant vanaf dat moment geen loon meer betaald.
1.3.
Bij besluit van 29 november 2018 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van
23 augustus 2018 ziekengeld te verstrekken. Bij besluit van 15 april 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2018 ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat op de ex-werkgever de verplichting rust om aan appellant bij ziekte loon door te betalen tot de arbeidsovereenkomst eindigt op 4 januari 2019.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de
ex-werkgever op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht was om het loon door te betalen. Gelet hierop had appellant tot het einde van het dienstverband geen aanspraak op ziekengeld.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep betwist dat hij op grond van artikel 7:629 van Pro het BW aanspraak heeft op loon. In artikel 7:628, vijfde lid, is namelijk bepaald dat vanwege redenen die in de risicosfeer van de werkgever liggen, de verplichting om loon door te betalen kan worden uitgesloten gedurende de eerste 26 weken van het dienstverband. Gelet hierop heeft appellant vanaf zijn eerste ziektedag geen aanspraak op loon. Nu appellant hierdoor voldoet aan de voorwaarden voor een ZW-uitkering wordt hem het recht op deze uitkering ten onrechte ontnomen. Volgens appellant is tevens sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel nu een tussen partijen op rechtens juiste gronden tot stand gekomen overeenkomst door het Uwv buiten werking wordt gesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van Pro het BW.
4.2.
In artikel 7:629, eerste lid, van het BW is bepaald dat de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op loon behoudt, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van – onder meer – ziekte daartoe verhinderd was.
Op grond van artikel 7:629, negende lid, van het BW kan van dit artikel slechts in zoverre ten nadele van de werknemer worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
4.3.
Appellant behoudt dus in beginsel voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van zijn loon, nu hij de bedongen arbeid niet heeft verricht als gevolg van ziekte. Dat onder punt 7.5 van de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de ex-werkgever de loondoorbetalingsplicht van artikel 7:628, eerste lid, van het BW is uitgesloten maakt dit niet anders, aangezien dat beding geen betrekking kan hebben op artikel 7:629 van Pro het BW. In het negende lid van artikel 7:629 is Pro immers bepaald dat niet ten nadele van de werknemer van dit artikel kan worden afgeweken, behoudens de mogelijkheid twee wachtdagen overeen te komen. De Raad verwijst in dit verband naar rechtspraak van de civiele rechter, zoals bijvoorbeeld het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7970, en het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 19 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:11922. Appellant heeft op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW dus recht op doorbetaling van (een deel van) zijn loon vanaf de ziekmelding op 23 augustus 2018 tot aan, zolang de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voortduurt, het einde van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellant met ingang van de genoemde datum geen recht heeft op ziekengeld.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en F.M. Rijnbeek en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.