Uitspraak
20 1475 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Onder punt 7.5 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende vermeld:
Centrale Raad van Beroep
Appellant trad op 4 juli 2018 in dienst als oproepkracht met een arbeidsovereenkomst tot 4 januari 2019, waarin onder punt 7.5 de loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte voor het eerste halfjaar werd uitgesloten. Op 23 augustus 2018 meldde appellant zich ziek, waarna de ex-werkgever geen loon meer betaalde. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen omdat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte op grond van artikel 7:629 BW Pro bij de werkgever lag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkgever verplicht was loon door te betalen conform artikel 7:629 BW Pro, waardoor appellant geen recht had op Ziektewetuitkering. Appellant stelde in hoger beroep dat de uitsluiting in de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was en dat het UWV ten onrechte de Ziektewetuitkering had geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 7:629 BW Pro een dwingendrechtelijke regeling bevat die niet ten nadele van de werknemer kan worden beperkt, behalve voor twee wachtdagen. De uitsluiting van loondoorbetaling in de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:628 BW Pro is niet van toepassing op artikel 7:629 BW Pro. Daarom heeft appellant recht op doorbetaling van 70% van zijn loon gedurende maximaal 104 weken bij ziekte. Het UWV heeft terecht geen Ziektewetuitkering toegekend. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft recht op loondoorbetaling en geen recht op Ziektewetuitkering.