ECLI:NL:CRVB:2021:2601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim bij vervoer gedetineerden
Appellant, werkzaam als wagencommandant bij een justitiële dienst, werd berispt wegens plichtsverzuim tijdens het vervoer van gedetineerden. Op 21 februari 2019 vond een incident plaats waarbij een collega geweld gebruikte tegen een gedetineerde, hetgeen appellant niet volledig rapporteerde en niet meldde bij de meldkamer. Tevens bleef appellant bij het uitstappen van de gedetineerde in de bus zitten in plaats van toezicht te houden.
Na een onderzoek en een hoorgesprek werd appellant een schriftelijke berisping opgelegd op grond van het niet naleven van de meldingsplicht, onvolledige rapportage en onvoldoende toezicht, in strijd met de Dienstinstructie en het Algemeen rijksambtenarenreglement. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het vervoer inclusief de overdracht in de remise onder het begrip transport valt, waardoor de meldingsplicht bleef bestaan. Appellant had als wagencommandant de eindverantwoordelijkheid en had het geweld moeten melden. Ook het blijven zitten in het voertuig bij het uitstappen werd als plichtsverzuim aangemerkt. De opgelegde berisping werd als proportioneel beschouwd gezien de ernst van het verzuim en de hoge integriteitseisen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim wordt bevestigd.