ECLI:NL:CRVB:2021:2611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 55,97% in WIA-herbeoordeling
Appellant, voormalig slijper, is sinds 2009 ziek gemeld met lichamelijke en later ook psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, dat later bij herbeoordeling werd vastgesteld op 55,97% per 1 maart 2017. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder schouder-, rugklachten, psychische problemen en gevolgen van een TIA, onvoldoende zijn meegenomen en dat de geselecteerde functies te zwaar zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de medische beoordeling en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren en de arbeidsdeskundigen voldoende motiveerden dat de geselecteerde functies binnen de beperkingen van appellant passen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen inzichtelijk toegelicht en onderbouwd dat er geen aanleiding is tot wijziging van de FML. De arbeidsdeskundigen baseerden zich op het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), dat als een rechtens aanvaardbaar systeem wordt beschouwd.
Appellants stellingen over zwaardere belasting in de praktijk en onvoldoende rekening houden met klachten zijn onvoldoende onderbouwd met medische stukken en leiden niet tot twijfel aan de juistheid van de vaststelling. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2019. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 55,97% en wijst het hoger beroep af.