ECLI:NL:CRVB:2021:2632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende arbeidsvermogen bevestigd
Appellante was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met hoge bloeddruk en rugklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaarsbeoordeling werd voortgezet. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in februari 2019 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige selecteerde geschikte functies waarmee appellante haar maatmaninkomen voor meer dan 65% zou kunnen verdienen. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering per april 2019.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat een urenbeperking vanwege psychische klachten en vermoeidheid had moeten worden opgenomen, onder meer vanwege slecht slapen en noodzaak tot rust overdag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde echter overtuigend dat geen urenbeperking nodig was. De Raad concludeerde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat er geen nieuwe medische informatie was die het standpunt van appellante ondersteunde, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde hiermee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd wegens voldoende arbeidsvermogen.