Uitspraak
20.4168 AW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als politieambtenaar sinds 2007, was betrokken bij een huiszoeking waarbij een waardevol gebruiksvoorwerp werd aangetroffen dat later verdween. Appellant vond het gebruiksvoorwerp anoniem terug in zijn postvak en stuurde het na bijna vijf maanden terug naar de politie, zonder dit direct te melden. Hierdoor werd het onderzoek gefrustreerd.
De korpschef legde appellant een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op wegens plichtsverzuim en het opmaken van een onvolledig proces-verbaal. Appellant voerde aan dat hij uit angst voor beschuldiging en vanwege een slechte relatie met leidinggevenden niet direct heeft gemeld, maar dit werd niet gevolgd.
De Raad oordeelde dat appellant niet heeft gehandeld zoals van een goed ambtenaar verwacht mag worden en dat het ontslag niet onevenredig is gezien de ernst van de gedragingen en de eisen van integriteit binnen de politie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen vergelijkbare gevallen werden aangetoond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.