ECLI:NL:CRVB:2021:2658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als medewerker huishoudelijke verzorging, meldde zich in 2014 ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Na onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Dit werd door de rechtbank en de Raad bevestigd.
In 2019 meldde appellante toegenomen klachten, maar het UWV weigerde opnieuw de uitkering toe te kennen omdat er geen toename van beperkingen was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel sprake was van toegenomen beperkingen, met name psychische klachten en psoriasis. De Raad oordeelde dat deze stelling niet werd onderbouwd met nieuwe medische gegevens en dat de eerdere medische beoordeling standhield.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat het hoger beroep daarom niet slaagde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.