Uitspraak
17.6400 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker huishoudelijke verzorging en meldde zich ziek wegens psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde op basis van medische onderzoeken en functionele mogelijkheden vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische onderbouwing en de vastgestelde beperkingen adequaat waren en dat de geselecteerde functies passend waren, mede gezien het gelijkgestelde MAVO-diploma.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen en dat haar diploma niet gelijkgesteld mocht worden met VMBO-TL. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen alle klachten voldoende hadden betrokken en dat het diploma terecht was gelijkgesteld. Het beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen WIA-uitkering ontvangt.