Uitspraak
19 2572 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
,-en een wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als groepsleerkracht en meldde zich ziek op 14 november 2013. Het UWV kende haar op 28 juli 2016 een loongerelateerde WIA-uitkering toe met ingang van 12 november 2015, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 70,50%. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij besluit van 16 februari 2017 vast op 39,71%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad onderschrijft het deskundigenrapport van 13 november 2018, waarin aanvullende beperkingen zijn vastgesteld en de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 66,16%. De datum in geding wordt bevestigd op 12 november 2015, ondanks het standpunt van appellante dat deze datum een jaar later had moeten zijn vanwege een loonsanctie. De Raad volgt het eerdere oordeel dat de medische en arbeidskundige beoordeling op deze datum juist is.
Daarnaast heeft appellante een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De Raad erkent een overschrijding van ongeveer negen maanden in de bestuursrechterlijke fase en veroordeelt de Staat tot een vergoeding van € 1.000,-. Ook worden proceskosten aan appellante toegekend.
De Raad vernietigt het bestreden besluit, stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 66,16% met ingang van 12 november 2015, en veroordeelt het UWV en de Staat tot betaling van proceskosten en schadevergoeding.
Uitkomst: De arbeidsongeschiktheid van appellante wordt vastgesteld op 66,16% met ingang van 12 november 2015 en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.