Appellante, arbeidsongeschikt geworden sinds december 2008, ontving een WGA-uitkering vanaf november 2010. Zij maakte bezwaar tegen het UWV-besluit omdat haar werkgever ten onrechte geen loonsanctie was opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV erkende de fout en kende een schadevergoeding toe, die door de rechtbank werd verhoogd tot € 2.658,72.
In hoger beroep vordert appellante een hogere schadevergoeding, onder meer voor een langere loonsanctieperiode, indexering van loon en vakantietoeslag, pensioenpremies en spaarloon. De Raad stelt vast dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door de loonsanctie niet op te leggen en bevestigt de aansprakelijkheid.
De Raad past het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht toe, waarbij de schadevergoeding de toestand moet herstellen alsof het onrechtmatige besluit niet had plaatsgevonden. De schadevergoeding wordt verhoogd tot € 3.652,54, inclusief aanvullende loonschade, pensioenpremies en spaarloon. De Raad wijst het verzoek om vergoeding van de bijdrage Zorgverzekeringswet af wegens onvoldoende onderbouwing.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van wettelijke rente vanaf 22 november 2011 en tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de hoogte van de schadevergoeding betreft en bevestigd voor het overige.