Appellanten ontvingen bijstand sinds augustus 2016. Appellant was algemeen directeur en enig aandeelhouder van BV A en later ook betrokken bij andere BV's. Naar aanleiding van een onderzoek door de gemeente Tilburg naar mogelijke fraude, waarbij onder meer luxe leefstijl en onregelmatigheden werden geconstateerd, heeft het college de bijstand ingetrokken wegens het niet melden van werkzaamheden voor BV A.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. De Raad oordeelt dat appellant wel degelijk werkzaamheden verrichtte voor BV A, zoals het afhandelen van telefoontjes, het afsluiten van een leasecontract en het doen van betalingen, ondanks de stelling dat hij geen activiteiten had verricht.
De schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand omdat daardoor niet kan worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand. De door appellanten overgelegde bankafschriften en administratie boden onvoldoende inzicht in de werkzaamheden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de intrekking van de bijstand blijft in stand.