Appellante, werkzaam bij de Belastingdienst sinds 1979, is sinds 2011 wegens ziekte uitgevallen en heeft meerdere procedures gevoerd over haar ontslag en nabetaling van salaris. In 2018 werd haar mondeling medegedeeld dat de functie van Bedrijfsmaatschappelijk werkende niet aan haar kon worden aangeboden. Dit werd door de staatssecretaris als geen besluit beschouwd, waardoor bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad oordeelt dat deze mondelinge mededeling gelijkgesteld moet worden aan een besluit waartegen bezwaar mogelijk is. De staatssecretaris heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en moet een nieuwe inhoudelijke beslissing nemen. Over de inhoud van die beslissing oordeelt de Raad nog niet.
Verder heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de inhouding van pensioenpremies op haar nabetaling, maar de Raad stelt dat dit een civielrechtelijke kwestie is en niet bij hem aanhangig kan worden gemaakt. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat appellante geen concreet schadebedrag of specificatie heeft gegeven.
De Raad vernietigt het besluit van 14 november 2018, bevestigt eerdere uitspraken over de nabetaling en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.