Uitspraak
20.3059 AW, 20/3060 AW
20 juli 2020, 19/442 en 19/5061 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
27 maart 2018 (besluit 1) ontslag verleend met ingang van 1 maart 2018. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1993 in dienst bij de gemeente Amsterdam en kreeg per 1 oktober 2012 ontslag wegens ongeschiktheid voor haar functie. Na diverse procedures en een minnelijke regeling in december 2017, werd afgesproken dat appellante vanaf 1 december 2017 salaris zou ontvangen en dat zij vrijgesteld was van werkzaamheden, met de intentie passende functies binnen of buiten de gemeente te vinden.
Het college verleende appellante met ingang van 1 maart 2018 ontslag omdat zij twee keer passende tijdelijke functies had geweigerd en niet meewerkte aan het outplacementtraject. Het college vorderde het salaris over maart 2018 en de kosten van outplacement terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder dat zij op medische gronden arbeidsongeschikt was en dat zij niet meer zou werken tot het ontslag. De Raad volgde deze stellingen niet, oordeelde dat de regeling juist tijdelijke werkzaamheden toestond en dat er geen nieuwe medische informatie was. Ook een nieuwe beroepsgrond over een leidinggevende werd niet in behandeling genomen wegens te late indiening.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was het ontslag te verlenen en de terugvorderingen te doen, omdat appellante passende functies had geweigerd en niet meewerkte aan outplacement. Er was geen reden om van de terugvordering af te zien. De eindafrekening was duidelijk en de beroepsgronden faalden, zodat het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het ontslag per 1 maart 2018 en de terugvordering van salaris en outplacementkosten worden bevestigd.