ECLI:NL:CRVB:2021:2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing maatwerkvoorziening boodschappen en maaltijdverzorging Wmo 2015
Appellante, geboren in 1943 en met lichamelijke beperkingen, vroeg eind 2018 om huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende na bezwaar een maatwerkvoorziening toe voor huishoudelijke hulp.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat het college niet verplicht was een voorziening te treffen voor boodschappen en maaltijdverzorging. Deze diensten zijn volgens het college algemeen gebruikelijk en daadwerkelijk beschikbaar via lokale supermarkten en Buurtzorg. Appellante kon dit niet aannemelijk betwisten.
In hoger beroep stond alleen ter discussie of appellante tijdens de relevante periode gebruik kon maken van een boodschappendienst en maaltijdvoorziening. De Raad concludeerde dat het college terecht aannam dat deze diensten beschikbaar waren en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij deze niet kon gebruiken.
Daarom was het college niet gehouden extra tijd toe te kennen voor boodschappen en maaltijdverzorging. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening voor boodschappen en maaltijdverzorging toe te kennen.