ECLI:NL:CRVB:2021:2765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig carrosseriebouwer, meldde zich in 2007 arbeidsongeschikt vanwege psychische en knieklachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na herbeoordeling beëindigde het UWV in 2017 deze uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. In 2019 vroeg appellant opnieuw een WIA-uitkering aan, die het UWV weigerde omdat hij volgens medisch en arbeidsdeskundig onderzoek meer dan 65% van zijn loon kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat niet al zijn klachten, met name zijn problematisch alcoholgebruik, waren meegewogen en dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. Uit het rapport van de verzekeringsarts bleek dat alle klachten, zowel lichamelijk als psychisch, waren betrokken. Appellant kon nog diverse dagelijkse activiteiten verrichten en er was geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.