ECLI:NL:CRVB:2021:2785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Wmo-besluit
Appellant vroeg om beschermd wonen op grond van de Wmo 2015, maar het college wees dit af omdat hij niet was aangewezen op 24-uurs begeleiding. Het college verstrekte hem in plaats daarvan individuele begeleiding en groepsbegeleiding. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg een voorlopige voorziening, waarbij de voorzieningenrechter een afbouwregeling voor individuele begeleiding vaststelde. Het college paste daarop de maatwerkvoorziening aan, maar verklaarde later het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor zover het ging om de kosten van bezwaar, maar wees het overige beroep af. Appellant stelde in hoger beroep dat de afbouwregeling onvoldoende was en dat de begeleiding in natura niet aansloot bij zijn behoeften. Hij betwistte ook dat de psychiater had gesteld dat de begeleiding door zijn moeder snel moest eindigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen voldoende procesbelang had omdat het ging om een reeds verstreken periode en een louter principiële vraag. Het college was bovendien al veroordeeld in de kosten van bezwaar in een samenhangende zaak. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van voldoende procesbelang.