Appellant ontving bijstand als alleenstaande. Het college stopte de bijstand per 25 april 2018 vanwege een interne melding dat X, moeder van het minderjarige kind van appellant, op het uitkeringsadres was ingeschreven. Het college ging uit van een gezamenlijke huishouding omdat zij een kind hadden en X op het adres stond ingeschreven met een vermoedelijke verblijfsduur van vijf maanden.
Appellant gaf aan dat X tijdelijk verbleef en niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het wijzigingsformulier, ingediend na het besluit, vermeldde een tijdelijk verblijf. Het college baseerde zich echter uitsluitend op de inschrijving in het Brp en de verblijfsduur, zonder nader onderzoek naar andere relevante feiten en omstandigheden.
De Raad oordeelde dat het college de bewijslast draagt en onderzoek had moeten doen naar de feitelijke situatie. De inschrijving in het Brp is niet doorslaggevend voor het hoofdverblijf. Het college had moeten nagaan of het verblijf van X daadwerkelijk tijdelijk was, mede aan de hand van persoonlijke bezittingen en postontvangst.
Omdat het college dit naliet, was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Raad vernietigde het besluit en het bestreden uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.