Uitspraak
21.590 AW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als ambtenaar bij het [centrum 1], werd in 2015 buitengewoon verlof verleend en later vrijgesteld van werkzaamheden totdat een gesprek zou plaatsvinden. De minister besloot dit ondanks het advies van de bezwarencommissie, wat door appellant werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de minister bevoegd was het buitengewoon verlof te verlenen en dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de commissie afweek. Het verzoek van appellant om vergoeding van bezwaarkosten werd als ontvankelijk beschouwd. Verder is geoordeeld dat de aard van het gesprek niet vast hoeft te staan om het verlof te rechtvaardigen en dat het langdurig verlenen van verlof niet automatisch onrechtmatig is, mede omdat appellant zelf voorwaarden stelde die het gesprek vertraagden.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van de minister tot vrijstelling van werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden.