ECLI:NL:CRVB:2021:2863
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis door detentieperiode
Appellant werkte als consultant en was van 23 december 2016 tot 28 juli 2017 gedetineerd. De arbeidsovereenkomst werd per 1 augustus 2017 beëindigd via een vaststellingsovereenkomst. Het UWV wees de WW-uitkering af omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro: hij had niet in ten minste 26 van de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid gewerkt.
Appellant voerde aan dat de detentieperiode als onbetaald verlof moest worden beschouwd, waardoor deze periode buiten beschouwing zou moeten blijven op grond van artikel 17a WW. Hij baseerde dit op afspraken in de vaststellingsovereenkomst, waaronder vrijstelling van arbeid en een eindafrekening.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat artikel 17a WW restrictief moet worden uitgelegd; onbetaald verlof moet de enige oorzaak zijn van niet-werken. Omdat appellant vrijwel de gehele referteperiode gedetineerd was, was dit niet het geval. De vaststellingsovereenkomst leidde niet tot een andere referteperiode. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis door de detentieperiode die niet als onbetaald verlof geldt.