ECLI:NL:CRVB:2020:849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis ondanks ziekte en onbetaald verlof
Appellant was sinds 2003 werkzaam als verkoopmedewerker en meldde zich in juli 2016 ziek, maar hervatte zijn werk niet na vakantie. Werkgeefster stopte de loonbetaling in september 2016. Na een afwijzing van loondoorbetaling en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst per 1 september 2017, vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis van minimaal 26 gewerkte weken in de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid.
De rechtbank stelde vast dat appellant vanaf juli 2016 niet werkte en vanaf september 2016 geen loon ontving. Appellant moest aannemelijk maken dat hij wegens ziekte of onbetaald verlof recht had op een voorverlenging van de referteperiode. Het rapport van de verzekeringsarts en medische gegevens boden onvoldoende bewijs voor volledige arbeidsongeschiktheid gedurende de relevante periode. De vaststellingsovereenkomst toonde geen onbetaald verlof aan.
In hoger beroep voerde appellant aanvullende medische verklaringen en een getuigenverklaring aan, maar de Raad oordeelde dat deze onvoldoende waren om de eerdere conclusies te weerleggen. De Raad bevestigde dat alleen de periode van 31 mei tot 31 augustus 2017 mogelijk als onbetaald verlof kan gelden, maar deze periode is te kort om aan de referte-eis te voldoen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en afwijzing WW-uitkering bevestigd.