ECLI:NL:CRVB:2010:BL2163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis ondanks detentieperiode
Appellant was van 24 mei 2004 tot 30 oktober 2005 werkzaam bij een besloten vennootschap en zat van 28 maart tot 16 juli 2005 in detentie. Na een periode van ziekte-uitkering vroeg hij een WW-uitkering aan per 29 oktober 2007, die door het UWV werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de eis van 26 gewerkte weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid.
Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard omdat de detentieperiode niet als onbetaald verlof kon worden aangemerkt en de referteperiode daardoor onvoldoende arbeidsweken bevatte. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wegens gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de detentie als onbetaald verlof moest worden beschouwd en dat het UWV in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of argumenten had ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
De Raad stelde vast dat appellant niet voldeed aan de referte-eis en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 januari 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd.