ECLI:NL:CRVB:2021:2874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling door UWV bevestigd
Appellant, voormalig procesoperator, meldde zich ziek met oogklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling achtte het UWV hem geschikt voor zijn oude functie en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en kreeg een herbeoordeling waarbij hij deels belastbaar werd verklaard met beperkingen, waarna het UWV de uitkering opnieuw beëindigde omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en het rapport van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd was. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat het rapport van de door appellant ingeschakelde arts onvoldoende onderbouwing bood. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldig onderzoek door het UWV.