ECLI:NL:CRVB:2021:2916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- J.T.H. Zimmerman
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij detentiecentrum
Appellant, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen sinds 1995, werd op 9 mei 2018 met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim tijdens een incident op 31 december 2017 waarbij geweld werd toegepast op een ingeslotene. De minister stelde dat appellant onder meer een nekklem toepaste in strijd met beleidslijnen, meerdere keren met de knie stootte, een vuistslag gaf, het hoofd van de ingeslotene tegen deuren stootte en het incident niet direct meldde.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat het plichtsverzuim deels toerekenbaar was, maar dat nader onderzoek naar de psychische toestand van appellant noodzakelijk was. Na aanvullend psychiatrisch onderzoek concludeerde de minister dat het plichtsverzuim aan appellant kon worden toegerekend en dat het ontslag passend was gezien zijn voorbeeldfunctie en de ernst van de gedragingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond, maar het beroep tegen de nieuwe beslissing ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat appellant de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag heeft kunnen inzien en handelen, dat het ontslag niet onevenredig is en dat het belang van integriteit en betrouwbaarheid binnen de DJI zwaarwegend is.
Appellant had psychische klachten en stress, maar had dit niet tijdig gemeld aan zijn leidinggevende, wat mede zijn eigen verantwoordelijkheid is. Het incident en de daaropvolgende gedragingen zijn ernstig en rechtvaardigen het onvoorwaardelijk ontslag. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het ontslagbesluit.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.