Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2924

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
24 november 2021
Zaaknummer
21/729 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, eerste lid, aanhef en onder a, AKWArt. 2 AKWArt. 3, eerste lid, AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland per peildatum

Appellante, afkomstig uit Syrië en sinds 2008 Nederlandse, woonde van 2001 tot 2009 in Nederland en vertrok toen naar Saudi-Arabië. In 2017 keerde zij kort terug en vestigde zich definitief met haar kinderen in september 2019 in Nederland, waar zij in opvang woonde en bijstand ontving. Zij vroeg kinderbijslag aan voor het eerste kwartaal van 2020, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op dat moment niet als ingezetene werd beschouwd.

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante na tien jaar afwezigheid nog geen duurzame band met Nederland had opgebouwd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat ingezetenschap wordt bepaald door een duurzame persoonlijke band met Nederland, beoordeeld aan de hand van objectieve en subjectieve factoren zoals woonruimte, gezinssituatie, inschrijving en werk.

Hoewel appellante zich had ingeschreven als woningzoekende en de intentie had zich te vestigen, woonden zij en haar kinderen in opvang en ontbraken andere duurzame bindingen. Haar echtgenoot verbleef nog in Saudi-Arabië. Daarom was er op 1 januari 2020 geen sprake van ingezetenschap en recht op kinderbijslag. De Svb kende haar vanaf het vierde kwartaal van 2020 wel kinderbijslag toe, conform beleidsregels die na een jaar verblijf een duurzame band aannemen.

Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Appellante had op 1 januari 2020 geen duurzame band met Nederland en geen recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2020.

Uitspraak

21.729 AKW

Datum uitspraak: 24 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
14 januari 2021, 20/2985 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Temel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. O. Saaliti, kantoorgenoot van mr. Temel. Ook was aanwezig tolk
[naam tolk] en de echtgenoot van appellante. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is afkomstig uit Syrië en heeft vanaf 2008 de Nederlandse nationaliteit. Zij woonde van 2001 tot 2009 met haar man en drie kinderen in Nederland. In 2009 is het gezin naar Saudi-Arabië verhuisd, waar nog twee kinderen zijn geboren. In 2017 is appellante samen met haar oudste zoon naar Nederland gekomen om woonruimte te zoeken. Zij staat vanaf 19 oktober 2017 als woningzoekende ingeschreven bij woningnet Haaglanden. Na drie maanden is appellante teruggekeerd en is haar oudste zoon in Nederland gebleven om hier een jaar te studeren. Op 14 september 2019 is appellante met haar vijf kinderen naar Nederland teruggekeerd. Haar man is in Saudi-Arabië gebleven. Appellante woont met haar kinderen in de opvang in [woonplaats] . Zij heeft zich op 15 oktober 2019 in laten schrijven bij de gemeente en ontvangt sinds 23 september 2019 bijstand. De kinderen gaan vanaf oktober 2019 naar school. De echtgenoot van appellante is vanaf september 2021 in Nederland.
1.2.
Op 26 februari 2020 heeft appellante bij de Svb kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd. Bij besluit van 6 maart 2020, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 mei 2020, heeft de Svb deze aanvraag over het eerste kwartaal van 2020 afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellante niet verzekerd is voor de AKW, omdat zij niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Op de peildatum van het eerste kwartaal van 2020 heeft appellante nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
1.3.
De Svb heeft appellante met ingang van het vierde kwartaal van 2020, één jaar na datum binnenkomst in Nederland, kinderbijslag toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen, omdat appellante op de peildatum van het eerste kwartaal van 2020 nog niet verzekerd was voor AKW op grond van ingezetenschap. Na het vertrek van appellante in 2009 uit Nederland naar Saudi-Arabië is het ingezetenschap geëindigd. Na tien jaar afwezigheid duurt het na terugkeer in Nederland op
14 september 2019 weer enige tijd voordat er (weer) sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard. Volgens de rechtbank zijn er te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante op de peildatum van het eerste kwartaal van 2020 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Voor de rechtbank is daarbij van belang dat appellante lange tijd buiten Nederland heeft gewoond, op de peildatum nog maar relatief kort in Nederland was, niet beschikte over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en nog geen werk had.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij ten onrechte pas vanaf 1 oktober 2020 als ingezetene van Nederland wordt beschouwd. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de duurzame band van appellante met Nederland is ontstaan op het moment dat zij zich hier op 14 september 2019 heeft gevestigd. Daarbij is aangevoerd dat appellante eerder lang in Nederland heeft gewoond, de Nederlandse nationaliteit heeft en sinds 2017 als woningzoekende staat ingeschreven. Appellante heeft er verder op gewezen dat zij nog steeds niet beschikt over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en dat de Svb haar desondanks wel kinderbijslag heeft toegekend met ingang van het vierde kwartaal van 2020.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil of in het geval van appellante op 1 januari 2020 sprake was van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen haar en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de AKW.
4.2.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van Pro de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.
4.3.
In de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) is overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
In beleidsregel SB1022 van de Svb is vastgelegd dat een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen. Er wordt niet beslist op basis van één factor. De intentie van een betrokkene om in Nederland te wonen dient te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Een factor waarop de Svb in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. Voor zover de verdere feiten en omstandigheden geen uitsluitsel geven over de woonplaats van een betrokkene past de Svb daarom naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (SB1027). Daaruit volgt dat in gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in Nederland, de Svb de betrokkene vanaf het eerste jaar na de feitelijke komst naar Nederland als ingezetene beschouwt.
4.5.
In een aantal uitspraken van de Raad van mei 2012 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.
4.6.
Na de terugkeer van appellante en haar kinderen naar Nederland in september 2019 heeft appellante weliswaar gemeld dat de intentie bestond zich definitief weer in Nederland te willen vestigen, maar deze intentie wordt niet door andere objectieve factoren ondersteund. Op de peildatum van het eerste kwartaal van 2020 verbleef appellante slechts korte tijd in Nederland en haar echtgenoot woonde nog in Saudi-Arabië . Appellante woonde met haar kinderen in gezinsopvang en beschikte dus niet over een duurzaam tot haar beschikking staande woning. Weliswaar gingen de kinderen vanaf oktober 2019 hier naar school, maar appellante had ook geen andere objectief controleerbare bindingen met personen of organisaties in Nederland. Gelet op al deze feiten en omstandigheden is op 1 januari 2020 nog geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dat appellante vanaf 19 oktober 2017 als woningzoekende staat ingeschreven en in 2017 een aantal woningen aangeboden heeft gekregen, legt onvoldoende gewicht in de schaal om wel ingezetenschap aan te nemen.
4.7.
Dit betekent dat appellante op de peildatum van het eerste kwartaal van 2020 niet verzekerd was op grond van de AKW, omdat zij (nog) niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. Zij had dus over dit kwartaal geen recht op kinderbijslag.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2021.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D. Al-Zubaidi
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.