Appellante, afkomstig uit Syrië en sinds 2008 Nederlandse, woonde van 2001 tot 2009 in Nederland en vertrok toen naar Saudi-Arabië. In 2017 keerde zij kort terug en vestigde zich definitief met haar kinderen in september 2019 in Nederland, waar zij in opvang woonde en bijstand ontving. Zij vroeg kinderbijslag aan voor het eerste kwartaal van 2020, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op dat moment niet als ingezetene werd beschouwd.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante na tien jaar afwezigheid nog geen duurzame band met Nederland had opgebouwd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat ingezetenschap wordt bepaald door een duurzame persoonlijke band met Nederland, beoordeeld aan de hand van objectieve en subjectieve factoren zoals woonruimte, gezinssituatie, inschrijving en werk.
Hoewel appellante zich had ingeschreven als woningzoekende en de intentie had zich te vestigen, woonden zij en haar kinderen in opvang en ontbraken andere duurzame bindingen. Haar echtgenoot verbleef nog in Saudi-Arabië. Daarom was er op 1 januari 2020 geen sprake van ingezetenschap en recht op kinderbijslag. De Svb kende haar vanaf het vierde kwartaal van 2020 wel kinderbijslag toe, conform beleidsregels die na een jaar verblijf een duurzame band aannemen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.