ECLI:NL:CRVB:2021:2945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Werkneemster was als accountmanager werkzaam voor 20 uur per week en meldde zich ziek wegens vermoeidheidsklachten. Na re-integratiepogingen in eigen en ander werk, met een uitbreiding van werkuren tot 13 uur per week, concludeerde een arbeidsdeskundige dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting vanwege onvoldoende re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en stelde vast dat de verzekeringsarts een urenbeperking van 30 uur per week hanteerde, wat niet overeenkwam met de beperkte werkhervatting van 13 uur. De werkgever voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte niet de omvang van het dienstverband als uitgangspunt had genomen en dat privé-activiteiten onterecht werden meegewogen.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV terecht uitging van een volledige werkweek als uitgangspunt bij de urenbeperking en dat de werkneemster vanaf januari 2018 in staat moest worden geacht om 20 uur te werken. Omdat de werkgever vanaf dat moment vrijwel geen re-integratie-inspanningen meer heeft verricht, was de loonsanctie terecht opgelegd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de loonsanctie wordt bevestigd.