ECLI:NL:CRVB:2021:2946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant, werkzaam als maaltijdbezorger, meldde zich ziek met rechterarmklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met aangepaste functies en beëindigde de uitkering per 2 januari 2019. Appellant maakte bezwaar, waarna de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanpaste, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en stelde de beëindiging van de uitkering vast per 27 augustus 2019. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld. Hij overhandigde een rapport van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die aanvullende beperkingen stelden.
De Centrale Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld en dat het aanvullende rapport geen aanleiding gaf tot twijfel aan de juistheid van de FML. De arbeidskundige selectie van functies was passend en het UWV had voldoende gemotiveerd dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd per 27 augustus 2019 na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.