ECLI:NL:CRVB:2021:2950
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding fysiotherapie en Feldenkrais wegens ontbreken causaal verband met vervolging
Appellante, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1941, verzocht om vergoeding van fysiotherapie en Feldenkrais therapie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder erkende het verband tussen haar osteoporose en de vervolging, maar wees de gevraagde voorzieningen af omdat deze niet in rechtstreeks verband stonden met de osteoporose.
Na eerdere vernietiging van het besluit door de Raad werd verweerder opgedragen nader onderzoek te doen naar het verband tussen de instabiliteit van appellante en haar osteoporose. Het medisch advies concludeerde dat de instabiliteit vooral voortkomt uit een val in 2014 en de daaropvolgende heupoperatie, zonder bevestiging dat de val het gevolg was van osteoporose.
De Raad vond geen redenen om af te wijken van het standpunt van de geneeskundig adviseur en oordeelde dat de gevraagde voorzieningen terecht zijn afgewezen omdat zij niet in een rechtstreeks causaal verband staan met de vervolging. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor fysiotherapie en Feldenkrais wordt afgewezen wegens ontbreken van een rechtstreeks verband met de vervolging.