ECLI:NL:CRVB:2021:2957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die als schoonmaakster werkte, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering. Na herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, waardoor haar uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name omdat geen lichamelijk onderzoek werd verricht en haar chronische astma, schouderklachten, deconditionering en obesitas onvoldoende werden meegewogen. Zij stelde dat haar overgewicht het gevolg was van haar longaandoening en dat het rapport van de verzekeringsarts van het UWV inconsistenties vertoonde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek navolgbaar en zorgvuldig was, dat het ontbreken van een nieuw lichamelijk onderzoek gerechtvaardigd was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. De Raad vond dat de bevindingen van de verzekeringsarts van de LEB niet representatief waren voor de situatie op de datum in geding en bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.